Grassroots, Astroturf en de ups en downs van Sociale Media

Grassroots, Astroturf en de ups en downs van Sociale Media

Deze blog is de derde in een serie van blogs in het kader van Communication Practices in the Digital Society, een vak van de opleiding Communicatie- en Informatiewetenschappen aan de Radboud Universiteit.

Grassroots, Astroturf en de ups en downs van Sociale Media

Sociale media hebben veranderd hoe we met elkaar communiceren. Dit is natuurlijk zo op individueel niveau, maar het geldt ook voor organisaties (Treem en Leonardi, 2013). Zowel grote als kleine organisatiesmaken in toenemende mate gebruik van Sociale Media – voor de interne én externe communicatie. Een goed voorbeeld van de verandering die de sociale media hebben gebracht is te zien in politieke campagnes. Politieke campagnes zijn van oudsher centraal georganiseerde acties, waarbij voornamelijk partijleden actief waren. Het laatste decennium zien we dat dit beeld verandert. Voorbeelden van zogeheten grassroots-movements zijn dan wel niet nieuw, maar worden dankzij sociale media een stuk makkelijker om voor elkaar te krijgen. Kijk bijvoorbeeld naar de campagne van Bernie Sanders of de grote hoeveelheid vrijwilligers (en donaties) die GroenLinks voor de komende Tweede Kamerverkiezing heeft verzameld.

Wat is precies de connectie tussen sociale media en dit soort campagnes? We voelen intuïtief dat het iets te maken heeft met het gemak, de snelheid en de reikwijdte van die media. Een manier om er naar te kijken is vanuit het perspectief van user generated media (UGM) (Shao, 2009). Shao expliciteert het “gemak” van de sociale media en onderscheidt daarin drie posities die gebruikers van sociale media kunnen hebben. De kracht van UGM zit hem in het feit dat een gebruiker zelf bepaalt op welke manier hij UGM gebruikt: het consumeren van informatie, interageren met de rest van de community, óf het zelf produceren van content om de eigen identiteit uit te drukken. Dit gebruikersgemak, samen met de controle die men heeft over het bericht zorgen ervoor dat UGM heel efficiënt zijn – met weinig moeite wordt veel bereikt. Dit leidt volgens Shao tot een hogere gratification – wat weer meer reden is om meer gebruik te maken van sociale media en UGM.

Maar er is natuurlijk ook een keerzijde. In een tijd waarin ‘nepnieuws’ in steeds grotere mate een probleem vormt en online interacties steeds vaker gemanipuleerd blijken te worden door grote organisaties vormen sociale media ook een gevaar. Hoe meer interactie en consumptie van informatie er plaatsvindt via UGM, hoe vatbaarder we zijn voor manipulatie van buitenaf. Er is immers weinig controle op de content die door gebruikers wordt gemaakt. Het nadoen van een grassroots-beweging door een grote organisatie – het zogenaamde astroturfing – heeft een meetbaar effect op de manier waarop mensen over bepaalde issues denken (Cho et al., 2011) en kan daarmee een bedreiging vormen voor de legitimiteit van dergelijke bewegingen.

Referenties

Cho, C. H., Martens, M. L., Kim, H., & Rodrigue, M. (2011). Astroturfing Global Warming: It Isn’t Always Greener on the Other Side of the Fence. Journal Of Business Ethics, 104(4), 571-587.

Shao, G. (2009) ‘Understanding the appeal of user‐generated media: A uses and gratification perspective’, Internet Research, 19(1), pp. 7–25.

Treem, J. W., & Leonardi, P. M. (2013). Social media use in organizations: Exploring the affordances of visibility, editability, persistence, and association. Annals of the International Communication Association, 36(1), 143-189.

Je bent wat je snapt dat je eet

Je bent wat je snapt dat je eet

Deze blog is de tweede in een serie van blogs in het kader van Communication Practices in the Digital Society, een vak van de opleiding Communicatie- en Informatiewetenschappen aan de Radboud Universiteit.

Je bent wat je snapt dat je eet 

“Niet gesnapt is niet gegeten” is een uitspraak van één van mijn vrienden die altijd gemaakt wordt als we uit eten zijn. Een foto wordt aan een aantal mensen rondgestuurd en zij zien vervolgens een seconde of tien wat hij op zijn bord heeft liggen. De rest van de groep (onder wie ikzelf) grijpt de telefoon en maakt toch ook maar even een snappie, die vervolgens naar (bijna) dezelfde groep mensen gaat. Een paar minuten later komen er reacties: “lekker bezig”, “smakelijk” of een foto van een kant- en klaarmaaltijd van de supermarkt met de tekst “hier moet ik het mee doen vanavond.”

Wat is het nut van een foto die je tien seconden ziet? Waarom plaatsen mensen soms vijftig foto’s per dag op Instagram, om ze vervolgens nooit meer te bekijken? Een mogelijke verklaring is dat de foto niet meer het doel van het opslaan van een herinnering of het vastleggen van een visueel mooi plaatje dient. In plaats daarvan is het een communicatiemiddel: een performance van de identiteit van de zender (Mendelson & Papacharissi, 2010).

En dit is niet zo onverwacht. Onze identiteit en ons leven worden meer en meer geuit in media. Als we appen, facebooken, e-mailen, snapchatten, instagrammen of twitteren communiceren we altijd via media. En hoe meer die media geïntegreerd raken in ons dagelijks leven, hoe meer ze ook deel uit gaan maken van de identiteit die we met die media proberen uit te stralen (Deuze et al, 2012). De manier waarop we over onszelf nadenken wordt daarmee ook steeds meer beïnvloed door ons media-gebruik. Ons leven is daardoor een “gemedieerd self-identity project” geworden.

Zoals Soffer (2016) terecht opmerkt, is de oraliteit – de “mondelingheid” – van bijvoorbeeld Snapchat heel hoog. Met name het feit dat foto’s die verstuurd worden via Snapchat meteen worden verwijderd zorgt ervoor dat het medium een grote overeenkomst met orale communicatie heeft: het vluchtige karakter. Gesproken taal kan immers niet zonder hulpmiddelen worden vastgelegd en opgeslagen (net als een foto in Snapchat). De grenzen tussen orale communicatie en communicatie via media worden daardoor steeds vager.

Referenties
Deuze, M., Blank, P., & Speers, L. (2012). A life lived in media. Digital Humanities Quarterly, 6(1), 1-15.

Mendelson, A. L., & Papacharissi, Z. (2010). Look at us: Collective narcissism in college student Facebook photo galleries. The networked self: Identity, community and culture on social network sites, 251-273.

Soffer, O. (2016). The Oral Paradigm and Snapchat. Social Media + Society, 2(3).

Bevestiging

Bevestiging

Deze blog is de eerste in een serie van blogs in het kader van Communication Practices in the Digital Society, een vak van de opleiding Communicatie- en Informatiewetenschappen aan de Radboud Universiteit.

Bevestiging

Hoe verslaafd zijn we aan stimuli en communicatie met andere mensen? In zijn youtube-video Isolation onderzoekt Michael Stevens wat een totaal gebrek aan stimuli met de menselijke psyche doet. Wat is het effect op een mens als hij geen interactie met de buitenwereld meer heeft? Om dit te testen sluit hij zichzelf vrijwillig drie dagen lang op in de saaiste isolatiecel van de wereld: witte muren, een witte lamp, witte meubels. Zelfs zijn eten bestaat uit een witte pap.

In de eerste uren nadat hij de isoleercel weer uit was maakte hij deze opmerking:

It was just me with myself for three days. It was only me. In the room I was fine being alone. But then, near the end, as I started to anticipate coming out and being able to talk to people and share my experience, I realized how important that was. If you only have your own experiences, you’re not fully having them, you have to have someone else to listen to them and react to them, and then you fully experience them.

Sense of self

Michael’s gevoel is precies wat Turkle (2008) in haar essay over Tetheredness een other-directed sense of self noemt. Onze sense of self wordt langzaam veranderd door de altijd aanwezige connectie met anderen die we hebben dankzij bijvoorbeeld sociale media. Elke ervaring kan direct gedeeld worden op Facebook, Twitter of talloze andere online kanalen. Volgens Turkle wordt de mens zo in toenemende mate afhankelijk van de bevestiging (validation) van anderen omdat we die bevestiging zo gemakkelijk krijgen. Uiteindelijk leidt dit tot de situatie dat een gedachte of gevoel bevestiging van anderen nodig heeft om überhaupt (helemaal) tot stand te worden gebracht. Interacties en validaties van anderen zijn zó veelvoorkomend dat er een soort “sociale inflatie” optreedt.

Zien we de voorspellingen van deze theorie ook terug in de werkelijkheid? We weten dat het gebruik van sociale media (nog steeds) spectaculair toeneemt en inmiddels een derde van de wereldbevolking aan sociale media doet (Statista, 2017). Uit wetenschappelijk onderzoekt blijkt bovendien dat sociale media niet alleen psychologisch verleidelijk zijn maar dat steeds meer mensen aan sociale media verslaafd zijn en dat er een correlatie is met een lagere tevredenheid met het leven. (Hawi & Samaha, 2016). Zijn dit tekenen van een toenemende “sociale inflatie” die ons meer en meer afhankelijk maakt van de bevestiging die we krijgen via sociale media?

 

Referenties

Hawi, N. S., & Samaha, M. (2016). The Relations Among Social Media Addiction, Self-Esteem, and Life Satisfaction in University Students. Social Science Computer Review.

Statista. (2017). Statistics and facts about social media usage. Opgehaald op februari 2017 van: https://www.statista.com/topics/1164/social-networks/

Turkle, S. (2008). Always-on/always-on-you: The tethered self. In: J.E. Katz (Ed.), Handbook of Mobile Communication Studies (pp. 121-138). Cambridge, MA: MIT Press.